Inbreng voor brief inzake de mededeling van de Europese Commissie E110046 i.s.m. de Strategische Agenda Hoger Onderwijs

"De leden van de fractie van GroenLinks hebben waardering voor het feit dat zowel onze regering als de Europese Commissie een visie op de ontwikkeling van het Hoger Onderwijs hebben gegeven. Zij delen de ambitie te komen tot kwaliteitsverbetering en daarbij de complementariteit en relevantie van verschillende delen van het Hoger Onderwijs te versterken. De beide agenda’s in samenhang bezien brengen de leden tot de volgende vragen." Lees de inbreng van Ruard Ganzevoort.

Het valt om te beginnen op dat beide stukken hun uitgangspunt nemen in de economische bijdrage van het onderwijs. Het verhogen van de welvaart wordt in beide documenten vooropgesteld, gedragen door een intensievere samenwerking met het bedrijfsleven. De leden van GroenLinks onderschrijven het belang van een gezonde economie, maar hebben wel de vraag hoe evenwichtig de benadering van het onderwijs is. In de Strategische Agenda wordt wel enige aandacht gegeven aan bijvoorbeeld de alfa- en gammawetenschappen en opleidingen op het terrein van kunst en cultuur, maar de nadruk ligt op het focussen van onderzoek op de economische topsectoren. Wat zijn daarvan de gevolgen voor sectoren die buiten deze topsectoren vallen en waar bovendien de kennisvalorisatie niet direct inverdieneffecten heeft? Hoe denkt de regering te voorkomen dat in deze sectoren toch een achterstand ontstaat?De Mededeling van de Europese Commissie benadrukt de noodzaak van een toename van het aantal hoogopgeleide jongeren en stelt met name dat het  Hoger Onderwijs voor bredere lagen van de bevolking aantrekkelijk gemaakt moet worden, ook voor kansarme en kwetsbare groepen. Daarvoor moeten, volgens de Europese Commissie, middelen beschikbaar worden gesteld. De Commissie noemt onder de voornaamste beleidsdoelstellingen: ‘Ervoor zorgen dat financiële steun terechtkomt bij potentiële leerlingen uit milieus met een lager inkomen door middel van een betere focussering van de middelen.’ De leden van GroenLinks vragen of de regering deze visie van de Europese Commissie deelt. Als dat zo is, hoe is dit dan verankerd in de Strategische Agenda? Hoe wordt voorkomen dat de combinatie van verhoogde prestatiedruk enerzijds en verhoging van de financiële belasting anderzijds leidt tot een afhaken van jongeren juist uit kansarme en kwetsbare groepen waar nu eenmaal meer leenangst heerst? Welk beleid heeft deze regering om ervoor te zorgen dat brede lagen van de bevolking daadwerkelijk doorstromen in het Hoger Onderwijs? Gaat de nadruk op excellentie en eigen bijdragen om dat te financieren hier niet ten koste van het beschikbaar houden van kwalitatief goed hoger onderwijs in de brede zin?De Europese Commissie adviseert ook het beleid te richten op “niet-traditionele” leerlingen waaronder volwassenen. Dat past in de visie op een leven lang leren. Beleidsdoelstelling zou volgens de Europese Commissie moeten zijn: ‘Een grotere verscheidenheid in studievormen aanmoedigen (bv. deeltijds, modulair en afstandsonderwijs, bijscholing voor herintredende volwassenen en anderen die reeds op de arbeidsmarkt zijn), door zo nodig de financieringsmechanismen aan te passen.’ De leden van GroenLinks herkennen dit advies niet in de Strategische Agenda en vragen of de maatregelen van niet-bekostiging van een tweede studie en het ongemodificeerd onder de langstudeerdersregeling laten vallen van deeltijdstudenten niet juist deze groep studenten treft. In dat kader vragen zij de staatssecretaris naar zijn reactie op de door deze Kamer unaniem aangenomen motie waarin hij wordt verzocht  een regeling te treffen die disproportionele gevolgen voor deeltijdstudenten voorkomt (32.618, I). De Commissie benadrukt verder het belang van een toename van het aantal onderzoekers. In de Strategische Agenda wordt dit aspect ook genoemd, waarbij als beleidsrichting gekozen wordt voor meer inzet van bursalen. Dit roept de vraag op of de bijdrage en rol van promovendi recht gedaan wordt met een dergelijk systeem. Is het niet correcter hen primair te zien als junior-kennisproducenten en niet als leerlingen? Wat zijn de te verwachten gevolgen van een stelsel met meer bursalen (die geen onderwijs geven maar ontvangen) en minder betaalde promovendi (die ook zelf onderwijs geven) op de onderwijscapaciteit van de instellingen en hoe verhoudt dit zich tot de intentie om intensiever onderwijs te geven? Welk beleid wordt er ontwikkeld om ook de doorstroom naar wetenschappelijke posities meer mogelijk te maken zodat de eeuwige post-docs meer toekomstperspectief krijgen?De Commissie wijst op de afspraak om de internationale mobiliteit van studenten te vergroten. Dat spoort met de ambities van de Strategische Agenda. De leden van GroenLinks vragen de regering of deze ambitie niet wordt tegengewerkt door de striktere regels rond bijvoorbeeld de harde knip. Immers, internationale mobiliteit kost altijd een zekere hoeveelheid extra tijd wegens afstemmingsproblemen en organisatorische drempels. Hoeveel vertraging lopen studenten gemiddeld op wanneer zij een deel van hun studie in het buitenland doen en in welke mate krijgen zij daardoor problemen met de harde knip en andere procedures in Nederland? Bij ditzelfde aspect vragen de leden van GroenLinks tevens of de kwaliteitsborging en erkenning van in het buitenland verworven kwalificaties reeds zodanig zijn dat studenten ongehinderd een deel van hun studie in het buitenland kunnen volgen. De leden vragen ook de reactie van de regering op de vaststelling van de Europese Commissie dat er behoefte is aan meer financiële steun voor om studenten uit lagere inkomensgroepen, juist ook waar het gaat om studeren in het buitenland. Is de regering voornemens hierin beleid te ontwikkelen?De Europese Commissie dringt aan op diversiteit in het Hoger Onderwijs en afstemming met het bedrijfsleven. Daarbij wordt ook nadrukkelijk gesproken over bijvoorbeeld de ontwikkeling van een ‘Industrial Doctorate’. De leden van GroenLinks vragen hoe de regering dit voornemen beoordeelt. Is het verwant aan een ‘professional doctorate’? Indien de regering deze ontwikkeling wenst te volgen, is zij dan van mening dat een dergelijk doctorate in het WO of in het HBO gestalte zou moeten krijgen?