Lagendijk vraagt Europese Commissie naar visumbeleid Turken

In februari 2009 heeft het Europese Hof van Justitie in haar vonnis in de zaak Soysal geconcludeerd dat de EU geen visumplicht kan opleggen aan Turkse staatsburgers die naar de EU reizen om diensten te verlenen voor Turkse bedrijven. Europarlementariër Joost Lagendijk (voorzitter van de Turkije-delegatie van het Europees Parlement) vraagt de Commissie naar de consequenties van deze uitspraak voor het Europese visumbeleid.

"Dit is een belangrijk oordeel voor Turken en EU-burgers," zegt Lagendijk. "De praktische hindernissen voor het doen van zaken of het organiseren van universitaire uitwisselingen met Turkije zouden binnenkort verleden tijd moeten zijn."

Het Hof kwam tot het oordeel op basis van de Associatieovereenkomst die de EEG (later EU) in 1963 sloot met Turkije. Het vonnis van het Hof zou volgens Lagendijk nog verdergaande consequenties kunnen hebben, omdat volgens veel deskundigen het vrij verkeer van diensten niet alleen het recht inhoudt om diensten te leveren, maar ook om diensten te gebruiken. Volgens die interpretatie zouden Turkse staatsburgers die naar de EU willen reizen om gebruik te maken van diensten, ook geen visa nodig moeten hebben. Dit zou bijvoorbeeld betrekking hebben op Turken die reizen voor een medische behandeling, zakenreizen of studentenuitwisselingen. Familiebezoek en permanente vestiging vallen hoe dan ook niet onder deze regeling. Juridische experts zijn het er niet over eens of ook toeristen er onder zouden vallen.

"Er is veel verwarring ontstaan over de implicaties die het vonnis heeft," verduidelijkt Lagendijk. "Ten onrechte denken sommigen dat er volledig vrij verkeer van personen zou ontstaan tussen Turkije en de EU. Ik vind het trouwens wel gek dat de EU onderhandelt met Turkije over lidmaatschap en ondertussen wel een duur en moeilijk verkrijgbaar visum verplicht stelt. Een paspoort zou genoeg moeten zijn. Of desnoods een goedkoop, makkelijk te verkrijgen visum, zoals dat nu ook geldt voor Nederlanders die voor kortere tijd naar Turkije willen."

In het verleden heeft de EU altijd tijdens onderhandelingen over lidmaatschap de visumregelingen met dat land versoepelt en voor toetreding uiteindelijk afgeschaft.

"De Commissie moet nu het voortouw nemen en onderzoeken welke consequenties het vonnis heeft voor korte bezoeken van Turken aan de EU. De Commissie moet ook kijken hoe de lidstaten die consequenties doorvoeren in hun eigen regelingen," concludeert Lagendijk. "Daarom heb ik de Commissie schriftelijke vragen gesteld."

Schriftelijke vragen aan de Europese Commissie (voorlopige vertaling):

"Soysal"-vonnis van het Europese Hof van Justitie van 19-2-2009 – Visumplicht voor het binnengaan van het grondgebied van een lidstaat

Wij verwijzen naar het vonnis van het Europese Hof van Justitie (C- 228/06, Soysal), volgens welke het ontoelaatbaar is om visa te verplichten voor Turkse staatsburgers voor het betreden van het grondgebied van een lidstaat, als het doel hiervan het verlenen van een dienst is voor bedrijven die in Turkije zijn gevestigd.

Ondersteunt door jurisprudentie van het Hof – onder andere C-274/96 (Bickel and Franz) en 186/87 (Cowan) – wordt door experts aangenomen dat vrij verkeer van diensten ook de passieve uitoefening van de vrijheid voor het leveren van diensten behelst. Dit in ogenschouw nemend, is de visumplicht voor Turkse staatsburgers die diensten willen gebruiken in een lidstaat (zoals zaken- of studiereizen, medische behandeling of toerisme) niet rechtmatig.

Gezien richtlijn (EG) Nr. 539/2001 en het feit dat Turkije sinds 3 oktober 2005 toetredingsonderhandelingen voert:

  1. Wat is de Commissie, als hoeder van de verdragen, van plan te doen in reactie op het bovengenoemde oordeel van het Hof?
  2. Deelt de Commissie de mening dat richtlijn (EG) 539/2001, waarin Turkije op een lijst van staten staat, waarvoor de visumplicht geldt, onhoudbaar is en dat de Commissie het initiatief moet nemen dit te veranderen, omdat de visumplicht voor vele landen in veel gevallen niet langer toepasbaar is?
  3. Deelt de Commissie, los van het juridische raamwerk, de inschatting dat de visumplicht voor een land, dat momenteel toetredingsonderhandelingen met de EU voert, politiek niet uit te leggen valt en in strijd is met de doelstellingen van de Unie?

Het vonnis is online te raadplegen op de website van het Europese Hof.