Illustratie: Jean Jullien

Spreektekst Jesse Klaver bij het Parijsdebat

Vrijdagnacht zat ik net als velen tot diep in de nacht voor de TV. En daarna kon ik niet slapen. Ik kon de beelden niet kwijtraken, ik kon niet loskomen van de woede en het verdriet dat ik voelde. Hoe kan je zo iets doen?

De hel in het Bataclan-theater.

Don’t move, don’t speak, even whisper
There’s something happenin’ but don’t be scared

Regels uit een zomaar een liedje van The Eagles of Death Metal, de band in het theater. Woorden die een jongen zachtjes tegen zijn vriendin gezegd zou kunnen hebben. Wat moeten ze bang zijn geweest.
Ik kan het me bijna niet voorstellen. Toch doen we dat allemaal. We stellen het ons allemaal voor. Wat als ik in dat theater had staan dansen? Wat als ik op het terras had gezeten? Wat als ik bij het voetbalstadion als supporter had gestaan?
Wat als het Amsterdam zou zijn geweest?
Bang worden is een natuurlijke reactie. Toch moeten we ons tegen deze emotie verzetten. Het is precies waar de terroristen op uit zijn. Zij willen ons bang maken, zij willen ons verdelen, zij willen dat wij het vertrouwen in elkaar kwijtraken.

Ons

Ik wil de premier danken voor zijn mooie statement afgelopen zaterdag.
We laten ons niet uit elkaar spelen. Niet in Nederland. Niet in Europa. Zei hij.

Mooie woorden. Laten wij ons verdelen? Wie hoort bij ons en wie niet? Wie zijn wij en wie zijn zij? Daarover gaat vandaag het debat.
Soms kunnen antwoorden op deze vragen simplistisch zijn. Te gemakkelijke oorlogstaal loopt het gevaar een echo van George Bush te worden. Wie niet voor ons is, is tegen ons. En wat heeft dat ons gebracht?

Het is ook de simplistische taal van IS, van de barbaren die dit op hun geweten hebben. Wie niet voor IS is, mag worden afgeslacht.
Hun verwrongen en gestoorde ideologie zaait dood en verderf. In Parijs en in Beirut. In Jemen en Turkije. Of je nu christen, moslim of seculier bent, niemand is veilig voor de beulen van IS.

In dit geval is het eenvoudig: wij, dat zijn wij allemaal. Zij, dat is alleen IS, een kleine groep van verwrongen geesten. De vraag is hoe we ons bij elkaar houden, hier in Nederland en daar in Syrië en Irak.

Hier

Om met het hier te beginnen. De terroristen zijn hier opgegroeid, in Parijs. Wonen in Brussel, en zouden in Nederland kunnen wonen. Het zijn jongeren die geradicaliseerd zijn. Die willen bij hen horen, niet bij ons. Dat is hun keuze, maar ook ons probleem. De waanbeelden van IS melden zich niet bij de grenscontroles.
Grenzen sluiten, muren bouwen, dat is de ogen sluiten voor de werkelijkheid.

Wat doen we dan wel?

  1. Ten eerste. Zorgen dat we ze kennen, dat we voorkomen dat jongeren radicaliseren. Doen we alles wat we kunnen, vraag ik de premier?
    Hebben we genoeg wijkagenten en straatcoaches om effectief op te treden als jongeren dreigen af te glijden?
     
  2. Ten tweede. Toch verdwijnen jongeren naar Syrië. En komen ze weer terug. Soms met gevaarlijke ideeën, soms getraumatiseerd. Wat doen we met hen? Als het duidelijk is dat ze gruwelijke dingen hebben gedaan, dan pakken we ze op en krijgen ze zware straffen.
    Maar wat als dat niet het geval is? Dan worden ze gevolgd en in de gaten gehouden. Is dat genoeg? In Denemarken worden jongeren in een de-radicaliseringsprogramma opgenomen. Zouden we dat kunnen verplichten voor iedereen die uit Syrië of Irak terugkeert en die niet strafrechtelijk kan worden aangepakt? Graag een reactie.
     
  3. En ten derde. De inlichtingendiensten. Wat weten ze, wat delen ze? Is er wel genoeg Europese samenwerking tussen de nationale diensten om op tijd in te grijpen als aanslagen beraamd worden?

Daar

En dan het daar, dat is nog veel ingewikkelder. Daar is Syrië. Wie hoort daar bij wie? De coalitie die IS wil verslaan is groot en divers. Van de VS tot Saoedi Arabië, van Frankrijk tot Jordanië, van Canada tot de Verenigde Arabische Emiraten.
Dit is geen strijd van het westen tegen het oosten. Van onze waarden tegen de islam. Wie de strijd tegen IS zo zou definiëren, maakt ons kleiner en hen groter.

Maar oorlogstaal suggereert dat er alleen militaire oplossingen zijn. Wat betekent het dat de premier zegt dat we in oorlog zijn? Of zijn het woorden zonder betekenis, die de premier wel en de vicepremier niet in de mond neemt? We delen de opvatting dat IS verslagen moet worden. Maar zonder zicht op een politieke oplossing kan dat niet.

Daar hebben we iedereen in de regio voor nodig.
Een sprankje hoop kwam er uit Wenen. Er wordt gepraat over een politieke oplossing in Syrië. Maar cruciaal is: wat doen we met Assad?

De vijand van onze vijand is niet onze vriend. Kan de premier zich voorstellen dat er een politieke oplossing voor Syrië komt waarin Assad een rol speelt?

Who will love the devil?
Who will kiss his tongue?

Zingen The Eagles of Death Metal.
Als het over Assad gaat, niemand, mag ik hopen.