Zo kunnen 500 miljoen consumenten een vuist maken tegen kinderarbeid

Het doet me pijn om te horen dat er bij de productie van een granieten aanrechtblad sprake kan zijn van Indiase kinderarbeid. Maar er is een oplossing: ketenverantwoordelijkheid. Verplicht de verkoper om te garanderen dat zijn leverancier eerlijk materiaal levert. Moeilijk in te voeren? Niet als we dat met 500 miljoen consumenten eisen.

“met 500 miljoen consumenten maken we een vuist tegen kinderarbeid.”

De onthullingen over kinderarbeid in Indiase granietmijnen legt bloot hoe slecht het nog geregeld is met ketenverantwoordelijkheid. Met één Europese markt, met 500 miljoen consumenten die geen kinderarbeid willen, zou dat toch zo afgesproken moeten kunnen worden? Hoe kan het dat het niet lukt om misstanden in de kledingsector, in de mijnbouw en op andere plaatsen niet aan te pakken?

Ik zag gisteren de uitzending in Nieuwsuur met de verantwoordelijke Nederlandse minister Liliane Ploumen. “Ja, maar je kunt als consument in een kledingwinkel vragen of het meedoet met het convenant schone kleren”, zei Ploumen. Ze suggereerde dat Nederland in z’n eentje initiatieven neemt om de handel eerlijke te maken, omdat het in Europa niet lukt.

Ik heb daar een heel ander beeld bij.

Het was voorjaar 2016, Nederland was tijdelijk voorzitter van de Europese Raad van Ministers en minister Ploumen leidde onderhandelingen namens alle Europese ministers over een wet tegen de handel in conflictmineralen. Namens het Europees parlement streed ik voor een wet die bedrijven verplichtte openheid van zaken te geven over mineralen en metalen die ze in Europa invoerden.

Convenanten

De EU-landen zagen meer in vrijwillige afspraken, in convenanten. De onderhandelingen tussen de ministers (voorgezeten door Ploumen) en het Europarlement vorderde dus nauwelijks. Onder het Nederlands voorzitterschap was het er op of er onder. Minister Ploumen zei me; “Judith, je mag blij zijn dat Nederland een neutraal voorzitter is, want als het aan mij ligt, komt er geen verplichting voor bedrijven in de wet.”

Bedrijven houden niet van regels. Dat kost tijd en geld en dat geld moet nu verdiend worden. Maar we beschermen consumenten met regels, tegen oneerlijke prijsafspraken. Die regels komen uit Brussel want we hebben één Europese interne markt. Kwaliteitseisen voor producten zijn in de hele EU hetzelfde. Dat is fijn als het om veilig kinderspeelgoed gaat of om etenswaren die schoon verpakt moeten zijn.

Doordat we met die ene markt van 500 miljoen inwoners zijn, kunnen we eisen stellen aan producenten over de hele wereld. De Europese markt kun je immers niet snel links laten liggen. Die eisen kunnen we dus ook stellen aan de werkomstandigheden van vrouwen in de textielfabrieken in Bangladesh, kinderen in granietmijnen in India of Congolezen die gedwongen door rebellen in tinmijnen werken.

Rana Plaza

Het kan dus wel, maar het gebeurt niet of nauwelijks. Na de ramp in Rana Plaza in Bangladesh in 2013 waren Europese Commissie en EU-landen eensgezing. Er moest wetgeving komen die de verkopers van kleding zou dwingen om de aanvoerketen transparant te maken. Door die openbaarheid zouden de werkomstandigheden in die fabrieken verbeteren en zouden lonen omhoog gaan.
 
De belofte werd niet ingelost. De EU-landen en de Europese Commissie – onder zware lobby van de textielsector – zagen er vanaf.

Als Brussel niets doet, dan moet een land zelf maar iets ondernemen, toch? Zo motiveert minister Ploumen de vrijwillige convenanten tussen bedrijven in Nederland. Zo zijn er afspraken tussen havenoverslagbedrijven en energieleveranciers om geen foute steenkool te importeren, er is een goudconvenant en er is een afspraak met de Nederlandse kledingbranche.

Maar zet Nederland zich nu wel in voor Europese wetten om misstanden in de aanvoerketen aan te pakken? Nou nee. Minister Ploumen doet net alsof zij wel wil, maar Brussel niet. Maar mijn ervaring is dat ook zij zelf ook niet wil.

Verzet

In de praktijk vertragen de Nederlandse vrijwillige convenanten in Nederland zelfs Europese wetgeving. In een briefwisseling die ik had, is de textielsector daar ook heel helder in: juist omdat ze al betrokken zijn bij een vrijwillig initiatief moet er Nederlands verzet zijn tegen Europese wetgeving.

Hetzelfde probleem ondervond ik tijdens het werk aan de wet tegen conflictmineralen. Philips en Fairphone waren voorlopers om de productieketen van elektronische apparaten inzichtelijk te maken. Fairphone doet goed werk om met een nicheproduct te laten zien dat – hoewel zeer ingewikkeld – de productieketen van een mobiele telefoon transparant kan worden. Met subsidie van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken werden er proefprojecten opgezet met mijnen in Oost-Congo. Hulde.

Maar Philips en Fairphone bleven zich verzetten tegen Europese wetgeving. En dat is zonde, want zo blijven mobieltjes die mensenrechten respecteren een nicheproduct, terwijl ik wil dat het de standaard voor alle mobieltjes wordt.

Eerlijk is eerlijk, Nederland was een neutraal voorzitter en de wet tegen de handel in conflictmineralen kent enige dwang. Daar ben ik minister Ploumen dankbaar voor, maar haar beleid om Nederlandse bedrijven door middel van convenanten een goed imago te geven en gelijktijdig een excuus om tegen Europese wetgeving te pleitten, vertraagt de afschaffing van kinderarbeid en de verbetering van arbeidsomstandigheden in fabrieken en mijnen over de hele wereld.

Vijfhonderd miljoen Europese consumenten kunnen enorm machtig zijn. Laten we die macht benutten.